bes
zelfstandig naamwoord /bɛs/Betekenis
- kleine vrucht
- een met een halve toon verlaagde 'b'
- de grondtoon (tonica) van de “bes-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
- de grondtoon van het “bes-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
- zand
- kus
Hoe spreek je bes uit?
/bɛs/
Bes bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- erfwoord kleine vrucht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| besje | verkleinwoord, enkelvoud |
| besjes | verkleinwoord, meervoud |
| bessen | meervoud |
zelfstandig naamwoord
- oude en vaak ook kleine vrouw informal, person
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| besje | verkleinwoord, enkelvoud |
| besjes | verkleinwoord, meervoud |
| bessen | meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een met een halve toon verlaagde "b"
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| besje | verkleinwoord, enkelvoud |
| besjes | verkleinwoord, meervoud |
| bessen | meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: erfwoord van Middelnederlands besie, Proto-Germaans *basja. In de betekenis van ‘kleine vrucht’, een erfwoord uit Germaans *básja (vergelijk Duits Beere, Engels berry) voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
zelfstandig naamwoord: In de betekenis van ‘oudje’, een verkorte vorm van bestemoer, voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
zelfstandig naamwoord: b (3) met het achtervoegsel -es
Woordfamilie van bes
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besje | verkleinwoord | bes |
| besjes | verkleinwoord meervoud | bes |
| bessen | meervoud | bes |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bes zijn vastgelegd.