lesgeven
werkwoord ˈlɛsxevə(n)Betekenis
- de taak van een leraar op zich nemen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je lesgeven uit?
/ˈlɛsxevən/
Lesgeven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lesgeven
lesgevenhele werkwoord — gaf lesverleden tijd enkelvoud — gaven lesverleden tijd meervoud — lesgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef les | gaf les |
| jij | geeft les | gaaft les |
| hij, zij, het | geeft les | gaf les |
| wij | geven les | gaven les |
| jullie | geven les | gaven les |
| zij | geven les | gaven les |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf les | verleden tijd |
| geef les | gebiedende wijs |
| had lesgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had lesgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had lesgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden lesgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden lesgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden lesgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt lesgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lesgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lesgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| les te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| les te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| les zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| les zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| les zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| les zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| les zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| les zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| les zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| lesgaaft | bijzin, verleden tijd |
| lesgaf | bijzin, verleden tijd |
| lesgaven | bijzin, verleden tijd |
| lesgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lesgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lesgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| lesgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lesgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lesgevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben lesgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lesgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal lesgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou lesgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) lesgeven les zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden lesgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt lesgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt lesgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lesgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen lesgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult lesgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lesgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult lesgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal lesgeven les zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van les en geven
Woordfamilie van lesgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf les | verleden tijd | lesgeven |
| gaven les | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lesgeven |
| geef les | gebiedende wijs | lesgeven |
| geeft les | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lesgeven |
| geve les | woordvorm | lesgeven |
| geven les | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | lesgeven |
| lesgaf | subordinate-clause, verleden tijd | lesgeven |
| lesgaven | subordinate-clause, verleden tijd | lesgeven |
| lesgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lesgeven |
| lesgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lesgeven |
| lesgegeven | voltooid deelwoord | lesgeven |
| lesgeve | with-subordinate-clause | lesgeven |
| lesgevend | onvoltooid deelwoord | lesgeven |
| lesgevende | woordvorm | lesgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lesgeven zijn vastgelegd.