adres
zelfstandig naamwoord /aˈdrɛs/Betekenis
- aanduiding van de plaats, straat en huisnummer waar iemand woont of iets is gevestigd
- verzoek, aan een bevoegde macht gericht
- tegen een bepaald persoon gericht
- geheugenplaats in een computer
Hoe spreek je adres uit?
/aˈdrɛs/
Adres bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| d | dak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adresje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adresjes | verkleinwoord, meervoud |
| adressen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘woon- of verblijfplaats’ voor het eerst aangetroffen in 1574
Woordfamilie van adres
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adresje | verkleinwoord | adres |
| adresjes | verkleinwoord meervoud | adres |
| adressen | meervoud | adres |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adres zijn vastgelegd.