kennen
werkwoord ˈkɛnə(n)Betekenis
- bekend, vertrouwd zijn met
- door studie of oefening geleerd hebben
- het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden
Hoe spreek je kennen uit?
/ˈkɛnən/
Kennen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets ondervinden, doormaken, ervaren transitive
Vervoeging van kennen
kennenhele werkwoord — kendeverleden tijd enkelvoud — kendenverleden tijd meervoud — gekendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ken | kende |
| jij | kent | kende |
| hij, zij, het | kent | kende |
| wij | kennen | kenden |
| jullie | kennen | kenden |
| zij | kennen | kenden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekend | verleden tijd, deelwoord |
| gekend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ken | gebiedende wijs |
| kende | verleden tijd |
| kenne | aanvoegende wijs |
| kennend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kennen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘weten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van kennen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ken | gebiedende wijs | kennen |
| kende | verleden tijd | kennen |
| kenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kennen |
| kenne | aanvoegende wijs | kennen |
| kennend | onvoltooid deelwoord | kennen |
| kennende | woordvorm | kennen |
| kent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kennen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kennen zijn vastgelegd.