hoeken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (bij boksen) een hoekstoot toedienen aan
werkwoord
- een hoekstoot toedienen aan transitive
Vervoeging van hoeken
hoekenhele werkwoord — hoekteverleden tijd enkelvoud — hoektenverleden tijd meervoud — gehoektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoek | hoekte |
| jij | hoekt | hoekte |
| hij, zij, het | hoekt | hoekte |
| wij | hoeken | hoekten |
| jullie | hoeken | hoekten |
| zij | hoeken | hoekten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehoekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehoekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehoekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehoekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehoekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehoekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehoekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehoekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehoekt | verleden tijd, deelwoord |
| gehoekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehoekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehoekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehoekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehoekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehoekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoek | gebiedende wijs |
| hoeke | aanvoegende wijs |
| hoekend | onvoltooid, deelwoord |
| hoekte | verleden tijd |
| te hebben gehoekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hoeken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehoekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehoekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoek
Herkomst
afgeleid van hoek met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van hoeken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehoekt | voltooid deelwoord | hoeken |
| gehoekte | woordvorm | hoeken |
| hoeke | aanvoegende wijs | hoeken |
| hoekend | onvoltooid deelwoord | hoeken |
| hoekende | woordvorm | hoeken |
| hoekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hoeken |
| hoekte | verleden tijd | hoeken |
| hoekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hoeken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoeken zijn vastgelegd.