gebruikmaken
werkwoordBetekenis
- nuttig inzetten, een mogelijkheid benutten
Vervoeging van gebruikmaken
gebruikmakenhele werkwoord — maakte gebruikverleden tijd enkelvoud — maakten gebruikverleden tijd meervoud — gebruikgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak gebruik | maakte gebruik |
| jij | maakt gebruik | maakte gebruik |
| hij, zij, het | maakt gebruik | maakte gebruik |
| wij | maken gebruik | maakten gebruik |
| jullie | maken gebruik | maakten gebruik |
| zij | maken gebruik | maakten gebruik |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gebruik te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebruik te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruik zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| gebruik zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| gebruik zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| gebruik zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| gebruik zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebruik zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| gebruik zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| gebruikgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| gebruikgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruikgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebruikmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gebruikmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gebruikmaakte | bijzin, verleden tijd |
| gebruikmaakten | bijzin, verleden tijd |
| gebruikmakend | onvoltooid, deelwoord |
| had gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebruikgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruikgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruikgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak gebruik | gebiedende wijs |
| maakte gebruik | verleden tijd |
| te hebben gebruikgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gebruikmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebruikmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zou gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebruikmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gebruikmaken gebruik zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebruikmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gebruikgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebruikmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebruikmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebruikmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult gebruikgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebruikmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebruikmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gebruikmaken gebruik zult/zal maken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gebruik en maken
Woordfamilie van gebruikmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gebruikgemaakt | voltooid deelwoord | gebruikmaken |
| gebruikgemaakte | woordvorm | gebruikmaken |
| gebruikmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gebruikmaken |
| gebruikmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gebruikmaken |
| gebruikmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | gebruikmaken |
| gebruikmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | gebruikmaken |
| gebruikmake | with-subordinate-clause | gebruikmaken |
| gebruikmakend | onvoltooid deelwoord | gebruikmaken |
| gebruikmakende | woordvorm | gebruikmaken |
| maak gebruik | gebiedende wijs | gebruikmaken |
| maakt gebruik | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gebruikmaken |
| maakte gebruik | verleden tijd | gebruikmaken |
| maakten gebruik | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gebruikmaken |
| make gebruik | woordvorm | gebruikmaken |
| maken gebruik | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gebruikmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gebruikmaken zijn vastgelegd.