belichten
werkwoord bəˈlɪxtə(n)Betekenis
- licht schijnen op iets
- van een bepaalde kant bekijken, toelichten, uitleggen
- een bepaalde tijd licht laten vallen op de film om deze op te nemen
Hoe spreek je belichten uit?
/bəˈlɪxtən/
Belichten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van belichten
belichtenhele werkwoord — belichtteverleden tijd enkelvoud — belichttenverleden tijd meervoud — belichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belicht | belichtte |
| jij | belicht | belichtte |
| hij, zij, het | belicht | belichtte |
| wij | belichten | belichtten |
| jullie | belichten | belichtten |
| zij | belichten | belichtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| belicht | gebiedende wijs |
| belicht | verleden tijd, deelwoord |
| belicht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belicht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belicht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belicht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belicht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belicht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belicht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belicht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belicht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belicht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belichte | aanvoegende wijs |
| belichtend | onvoltooid, deelwoord |
| belichtte | verleden tijd |
| ben belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is belicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was belicht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd belicht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt belicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal belicht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal belicht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou belicht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou belicht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was belicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was belicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was belicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt belicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt belicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt belicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belicht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van lichten met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van belichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belicht | voltooid deelwoord | belichten |
| belichte | aanvoegende wijs | belichten |
| belichtend | onvoltooid deelwoord | belichten |
| belichtende | woordvorm | belichten |
| belichtte | verleden tijd | belichten |
| belichtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | belichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belichten zijn vastgelegd.