richten
werkwoord ˈrɪxtə(n)Betekenis
- op een bepaald doel afstemmen
- zich ~ op: een bepaald doel nastreven
- zich ~ tot: iemand toespreken
Hoe spreek je richten uit?
/ˈrɪxtən/
Richten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van richten
richtenhele werkwoord — richtteverleden tijd enkelvoud — richttenverleden tijd meervoud — gerichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | richt | richtte |
| jij | richt | richtte |
| hij, zij, het | richt | richtte |
| wij | richten | richtten |
| jullie | richten | richtten |
| zij | richten | richtten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gericht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gericht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gericht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gericht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gericht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gericht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gericht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gericht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gericht | verleden tijd, deelwoord |
| gericht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gericht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gericht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gericht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gericht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gericht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gericht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gericht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gericht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gericht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gericht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| richt | gebiedende wijs |
| richt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| richt me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| richt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| richt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| richt u/je , richt je | gebiedende wijs |
| richt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| richt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| richt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| richte | aanvoegende wijs |
| richte zich | aanvoegende wijs |
| richten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| richten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| richten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| richtend | onvoltooid, deelwoord |
| richtte | verleden tijd |
| richtte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| richtte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| richtte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| richtte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| richtte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| richtte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| richtte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| richtten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| richtten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| richtten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben gericht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te richten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen richten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gericht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gericht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me richten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal richten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal richten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal richten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich richten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je richten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gericht hebben | verleden tijd |
| zich richtend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt richten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gericht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘rechtmaken, in een bepaalde richting laten gaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van richten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| richt | gebiedende wijs | richten |
| richte | aanvoegende wijs | richten |
| richtte | verleden tijd | richten |
| richtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | richten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van richten zijn vastgelegd.