bundel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
- een verzameling teksten in één drukwerk verzameld
zelfstandig naamwoord — masculine
- verzameling gelijksoortige zaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bundels | meervoud |
| bundeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bundeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
- gebiedende wijs van bundelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
Vervoeging van bundel
bundelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pak’ voor het eerst aangetroffen in 1250
Woordfamilie van bundel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bundels | meervoud | bundel |
| bundeltje | verkleinwoord | bundel |
| bundeltjes | verkleinwoord meervoud | bundel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bundel zijn vastgelegd.