bosgeus
zelfstandig naamwoord 'bɔsxøsBetekenis
- lid van de benden niet-katholieken, die de bossen in gevlucht waren, om aan vervolging door Alva te ontkomen
Hoe spreek je bosgeus uit?
/ˈbɔsxøs/
Bosgeus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| x | acht |
| ø | deur |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bosgeuzen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bos en geus
Woordfamilie van bosgeus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bosgeuzen | meervoud | bosgeus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bosgeus zijn vastgelegd.