blauwbekken
werkwoordBetekenis
- vreselijke kou lijden
Vervoeging van blauwbekken
blauwbekkenhele werkwoord — blauwbekteverleden tijd enkelvoud — blauwbektenverleden tijd meervoud — geblauwbektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blauwbek | blauwbekte |
| jij | blauwbekt | blauwbekte |
| hij, zij, het | blauwbekt | blauwbekte |
| wij | blauwbekken | blauwbekten |
| jullie | blauwbekken | blauwbekten |
| zij | blauwbekken | blauwbekten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blauwbek | gebiedende wijs |
| blauwbekke | aanvoegende wijs |
| blauwbekkend | onvoltooid, deelwoord |
| blauwbekte | verleden tijd |
| er is geblauwbekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblauwbekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblauwbekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblauwbekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblauwbekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblauwbekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblauwbekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblauwbekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblauwbekt | verleden tijd, deelwoord |
| geblauwbekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblauwbekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblauwbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblauwbekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblauwbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blauwbekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblauwbekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blauwbekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblauwbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blauwbekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blauwbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblauwbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van blauw en bek met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van blauwbekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blauwbek | gebiedende wijs | blauwbekken |
| blauwbekke | aanvoegende wijs | blauwbekken |
| blauwbekkend | onvoltooid deelwoord | blauwbekken |
| blauwbekkende | woordvorm | blauwbekken |
| blauwbekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blauwbekken |
| blauwbekte | verleden tijd | blauwbekken |
| blauwbekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blauwbekken |
| geblauwbekt | voltooid deelwoord | blauwbekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blauwbekken zijn vastgelegd.