blauw
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /blʌʊ/Betekenis
- de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
- de kleur blauw hebbend
- zijnde een Indo of van (gedeeltelijk) Indonesische of Europees-Indische afkomst
Hoe spreek je blauw uit?
/blʌu/
Blauw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ʌu | koud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blauwen | meervoud |
| blauwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| blauwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
- gebiedende wijs van blauwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
Vervoeging van blauw
blauwhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands blau van Oudnederlands blao, in de betekenis van ‘kleurnaam’ aangetroffen vanaf 1121
Woordfamilie van blauw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blauwer | woordvorm | blauw |
| blauwere | woordvorm | blauw |
| blauwers | woordvorm | blauw |
| blauws | woordvorm | blauw |
| blauwst | woordvorm | blauw |
| blauwste | woordvorm | blauw |
| blauwtjes | verkleinwoord meervoud | blauw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blauw zijn vastgelegd.