trouw
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /trʌʊ/Betekenis
- het zich houden aan een verbintenis
- het huwelijk
- op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
Hoe spreek je trouw uit?
/trʌu/
Trouw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ʌu | koud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- naleving van een (morele) verbintenis
- huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [2] trouwen | meervoud |
| [2] trouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [2] trouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- van iets of iemand dat men er altijd op kan vertrouwen
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
- gebiedende wijs van trouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
Vervoeging van trouw
trouwhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands trouwe van Oudnederlands triuwa, cognaat met Duits treu en Engels true "waar, waarachtig, betrouwbaar"; in de betekenis van ‘loyaal’ aangetroffen vanaf 1291
Woordfamilie van trouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trouwere | woordvorm | trouw |
| trouws | woordvorm | trouw |
| trouwst | woordvorm | trouw |
| trouwste | woordvorm | trouw |
| trouwtje | woordvorm | trouw |
| trouwtjes | meervoud | trouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trouw zijn vastgelegd.