blauwwit
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈblɑuwɪtBetekenis
- wit met een blauwe zweem, dat vaak als 'koud' wordt ervaren
- wit met een zweem blauw
Hoe spreek je blauwwit uit?
/ˈblɑuwɪt/
Blauwwit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- wit met een blauwe zweem, dat vaak als "koud" wordt ervaren
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blauwwits | partitief, stellende trap |
| blauwwitst | onverbogen, overtreffende trap |
| blauwwitste | verbogen, overtreffende trap |
| blauwwitte | verbogen, stellende trap |
| blauwwitter | onverbogen, vergrotende trap |
| blauwwittere | verbogen, vergrotende trap |
| blauwwitters | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
samenstelling van blauw bn en wit bn , in deze schrijfwijze en betekenis aangetroffen vanaf 1862 (zie vindplaats hieronder) De kleuren zijn hier geen gelijkwaardige elementen, "witblauw" zou de kleur blauw aanduiden die we "lichtblauw" noemen. Daarom is spellingregel 6.D niet van toepassing en wordt het woord volgens spellingregel 6.C aan elkaar geschreven. Er is vaak verwarring met "blauw-wit" dat een kleurpatroon van witte en blauwe vlakken aanduidt. In dat woord levert een verwisseling van de kleuren eenzelfde betekenis op.
Woordfamilie van blauwwit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blauwwits | partitive, positive | blauwwit |
| blauwwitst | uninflected, superlative | blauwwit |
| blauwwitste | inflected, superlative | blauwwit |
| blauwwitte | verbogen vorm | blauwwit |
| blauwwitter | vergrotende trap | blauwwit |
| blauwwittere | verbogen vergrotende trap | blauwwit |
| blauwwitters | partitieve vergrotende trap | blauwwit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blauwwit zijn vastgelegd.