tenor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- hoge mannenstem, tenorstem
- een zanger met een hoge mannenstem
- de meest langzaam gezongen melodiestem die de basis vormt voor een meerstemmige middeleeuwse compositie
- de lagere (maar niet de laagste) variant van een aantal muziekinstrumenten, zoals tenorsaxofoon etc.
- een muzikaal deel of sectie die de hoofdmelodie bevat of uitvoert
- tenorstem; hoge mannenstem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tenoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tenoortjes | verkleinwoord, meervoud |
| tenoren | meervoud |
| tenors | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘hoogste mannenstem’ voor het eerst aangetroffen in 1591
Woordfamilie van tenor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tenoortje | verkleinwoord | tenor |
| tenoortjes | verkleinwoord meervoud | tenor |
| tenoren | meervoud | tenor |
| tenors | meervoud | tenor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tenor zijn vastgelegd.