bamzaaien
werkwoordBetekenis
- een kroegspel met lucifers, waarvan de verliezer een rondje betaalt
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van bamzaaien
bamzaaienhele werkwoord — bamzaaideverleden tijd enkelvoud — bamzaaidenverleden tijd meervoud — gebamzaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bamzaai | bamzaaide |
| jij | bamzaait | bamzaaide |
| hij, zij, het | bamzaait | bamzaaide |
| wij | bamzaaien | bamzaaiden |
| jullie | bamzaaien | bamzaaiden |
| zij | bamzaaien | bamzaaiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bamzaai | gebiedende wijs |
| bamzaaide | verleden tijd |
| bamzaaie | aanvoegende wijs |
| bamzaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebamzaaid | verleden tijd, deelwoord |
| gebamzaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebamzaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebamzaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebamzaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebamzaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bamzaaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebamzaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bamzaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebamzaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bamzaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bamzaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebamzaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘loten wie het gelag zal betalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1943
Woordfamilie van bamzaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bamzaai | gebiedende wijs | bamzaaien |
| bamzaaide | verleden tijd | bamzaaien |
| bamzaaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bamzaaien |
| bamzaaie | aanvoegende wijs | bamzaaien |
| bamzaaiend | onvoltooid deelwoord | bamzaaien |
| bamzaaiende | woordvorm | bamzaaien |
| bamzaait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bamzaaien |
| gebamzaaid | voltooid deelwoord | bamzaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bamzaaien zijn vastgelegd.