banvloek
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'bɑnvlukBetekenis
- een kerkelijke straf waardoor geestelijken of leken worden uitgesloten van de gemeenschap der gelovigen
Hoe spreek je banvloek uit?
/ˈbɑnvluk/
Banvloek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| v | vis |
| l | land |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| banvloeken | meervoud |
| banvloekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| banvloekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banvloeken
- gebiedende wijs van banvloeken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banvloeken
Vervoeging van banvloek
banvloekhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van ban en vloek
Woordfamilie van banvloek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| banvloekje | verkleinwoord | banvloek |
| banvloekjes | verkleinwoord meervoud | banvloek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van banvloek zijn vastgelegd.