Leenwoorden in het Nederlands: waarom zijn het er zoveel?
Bijna elke taal leent woorden van andere talen, en het Nederlands doet dat al eeuwen. Op deze pagina lees je waarom er in onze taal zoveel leenwoorden zitten. Je ziet welke gebeurtenissen en contacten ze hebben gebracht, hoe leenwoorden zich aanpassen en wanneer je beter een Nederlands woord kunt kiezen.
Door Maarten Soetens
Handel, macht en wetenschap
Een taal leent woorden zodra mensen met een andere taalgemeenschap in contact komen. Het Nederlands lag daarvoor gunstig, want Nederland was eeuwenlang een land van handel en scheepvaart. Wie handelt, neemt niet alleen producten maar ook de namen ervan over. Zo komen woorden als koffie en suiker uit verre streken, vaak via andere talen.
Ook oorlog en bezetting laten sporen na. In de tijd van de Romeinen namen sprekers van Germaanse talen woorden over als straat, muur en wijn. Later bracht het Frans als taal van hoven en bestuur veel nieuwe woorden. Daarnaast leverden kerk en wetenschap veel woorden uit het Latijn en het Grieks, zoals school, filosofie en biologie. Een sterke Franse invloed kwam er ook tijdens de Franse tijd, van 1795 tot 1813, toen het Nederlands veel woorden uit bestuur en rechtspraak overnam.
In de twintigste eeuw nam de invloed van het Engels sterk toe, door film, muziek, techniek en later internet. Woorden als computer en weekend zijn gewoon Nederlands geworden. Tot slot kwamen er woorden uit de voormalige koloniën, zoals sambal en bamboe.
Leenwoorden zijn dus geen teken van zwakte maar van levendig taalcontact. Een taal die contact heeft met de wereld, neemt woorden uit die wereld over.
Leenwoorden en hun herkomst
Deze voorbeelden laten zien hoe breed de herkomst van Nederlandse woorden is.
- straat: komt uit het Latijn en laat zien dat de Romeinen onze streken invloed gaven, vooral op wegen en bouw.
- koffie: kwam via handel uit de Arabische wereld naar Europa en werd in het Nederlands overgenomen.
- tomaat: komt uit een taal in Midden-Amerika en kwam via het Spaans naar Europa.
- bureau: is uit het Frans overgenomen en houdt zijn Franse spelling.
- sambal: kwam met de contacten met Indonesië mee en is nu een gewoon woord op het menu.
- computer: komt uit het Engels en wordt zonder aanpassing gebruikt.
- wijn: komt uit het Latijn en laat zien dat de Romeinen ook de wijnbouw en de bijbehorende woorden brachten.
- kaas: heeft een Latijnse oorsprong en is een van de oudste leenwoorden, zo oud dat bijna niemand het nog als leenwoord ziet.
- paraplu: komt uit het Frans, waar het woord uit twee delen is opgebouwd, namelijk tegen en regen.
- weekend: komt uit het Engels en is een samenstelling die we ongewijzigd overnemen.
Veel leenwoorden voelen niet meer vreemd, omdat we ze dagelijks gebruiken. Ze zijn zo gewoon geworden dat ze deel uitmaken van onze eigen taal en niemand er nog bij stilstaat dat ze ooit van elders kwamen.
Aanpassen of vervangen
Een leenwoord past zich meestal aan het Nederlands aan. Het krijgt een Nederlandse uitspraak, een meervoud op -s of -en en soms een nieuwe spelling. Zo schrijven we computers en vervoegen we het werkwoord mailen als ik mail en ik heb gemaild. Daardoor voelen veel leenwoorden al snel als eigen woorden.
Taalgebruikers kunnen ook kiezen voor een Nederlands woord in plaats van het leenwoord. Dat zie je bij terugkoppeling voor feedback en bij vergadering voor meeting. Beide varianten bestaan naast elkaar, en wat past, hangt af van de situatie en de lezer. Een voordeel van het Nederlandse woord is dat bijna iedere lezer het direct begrijpt.
Een tweede vorm is de vertaalleen. Dan neemt het Nederlands niet het woord zelf over, maar de betekenis, zoals bij wolkenkrabber, dat gevormd is naar het Engelse skyscraper. Zulke woorden herken je vaak niet meer als lening.
Niet elk woord dat Engels klinkt, is Engels. Een beamer en een smoking zijn in het Nederlands gevormd, terwijl Engelssprekenden andere woorden gebruiken.
Het aantal leenwoorden is niet precies te tellen, omdat de grens tussen leenwoord en erfwoord vaak vervaagt. Oudere leenwoorden herkent bijna niemand meer als leenwoord. Wie een woord opzoekt in een etymologisch woordenboek, ziet meteen uit welke taal het komt en wanneer het voor het eerst opduikt. Dat zegt veel over hoe vanzelfsprekend taalverandering is.
Veelgestelde vragen
Is het Nederlands bijzonder in het lenen van woorden?
Nee, vrijwel alle talen lenen woorden van andere talen. Ook het Engels heeft zeer veel woorden uit het Frans en het Latijn. Het Nederlands staat door zijn ligging en handelsverleden wel in contact met veel talen. Daardoor zijn er veel leenwoorden uit uiteenlopende bronnen gekomen. Het aantal dat in een taal voorkomt, hangt vooral af van de geschiedenis van de sprekers.
Is een leenwoord hetzelfde als een vreemd woord?
Nee, het verschil zit in hoe ingeburgerd het woord is. Een leenwoord is een woord dat uit een andere taal is overgenomen en dat inmiddels in het Nederlands wordt gebruikt, zoals computer. Een vreemd woord voelt nog als anders en past niet goed in het Nederlands. De grens is vaag en verandert in de loop van de tijd. Woordenboeken nemen een woord op zodra het genoeg wordt gebruikt.
Moet je leenwoorden vermijden?
Dat hoeft niet. Veel leenwoorden zijn duidelijk en door iedereen gekend. Een Nederlands alternatief is soms wel prettiger, zeker in een tekst voor lezers die het leenwoord niet kennen. Denk aan een brief van een gemeente of een uitleg voor een breed publiek. Kijk dus naar je doel en je lezer, en kies dan het woord dat het best begrepen wordt.