Taalfouten in het Nederlands: de meest gemaakte
Iedereen maakt weleens een taalfout, ook ervaren schrijvers. Sommige fouten komen echter zo vaak voor dat ze bijna bij het Nederlands lijken te horen. Op deze pagina lees je welke taalfouten in het Nederlands het meest voorkomen, waarom ze zo makkelijk ontstaan en hoe je ze met een paar eenvoudige proeven herkent en verbetert.
Door Maarten Soetens
Welke fouten komen het meest voor?
Een paar fouten komen steeds terug, in e-mails, op sociale media en zelfs in kranten. Ze hebben meestal één ding gemeen: in de spreektaal hoor je het verschil niet.
De bekendste is de dt-fout bij werkwoorden. Je schrijft ik word maar hij wordt, omdat bij hij, zij en het een t achter de stam komt. Bij ik komt er geen t bij, en ook niet bij jij als dat woord achter het werkwoord staat. Ook bij het voltooid deelwoord wordt er veel gemist: het is gebeurd en niet gebeurt. Het is het bekendste struikelblok van het Nederlands.
Een tweede veelgemaakte fout is de verwisseling van hun en zij. Het woord zij (of ze) is het onderwerp van de zin. Het woord hun gebruik je voor bezit (hun huis) en als meewerkend voorwerp (ik geef hun een boek).
Ook dat en die worden vaak verward. Na een het-woord hoort dat, na een de-woord die. Een vierde klassieker is als in plaats van dan bij een vergelijking. Bij een vergelijking van gelijkheid, zoals net zo groot als, staat wel als. Na een meervoud gebruik je altijd die.
Tot slot komt de constructie Jan zijn fiets veel voor. Die hoor je in gesproken taal, maar in een nette tekst schrijf je de fiets van Jan.
Voorbeelden van veelgemaakte fouten
Hieronder zie je steeds de fout, de verbetering en de reden.
- Hij word boos moet zijn Hij wordt boos, want bij hij krijgt de stam van het werkwoord een t.
- Wordt jij boos? moet zijn Word jij boos?, want als jij direct achter het werkwoord staat, komt er geen t bij.
- Hun hebben gelijk moet zijn Zij hebben gelijk, omdat het onderwerp van de zin zij of ze is.
- Het meisje die ik zag moet zijn Het meisje dat ik zag, omdat meisje een het-woord is.
- Hij is groter als ik moet zijn Hij is groter dan ik, omdat je na een vergelijking van verschil dan gebruikt.
- Het is gisteren gebeurt moet zijn Het is gisteren gebeurd, omdat de stam gebeur in het voltooid deelwoord een d krijgt.
- Jan zijn fiets wordt in een tekst De fiets van Jan, omdat de eerste vorm een spreektaalconstructie is.
- Ik word ziek is wel goed, omdat bij ik geen t achter de stam komt.
- De mensen die ik ken is ook goed, omdat het meervoud altijd die krijgt, ook als het enkelvoud een het-woord is, zoals kind.
Bij elk van deze voorbeelden helpt een korte proef om de fout te herkennen. Die proeven komen verderop op deze pagina terug, zodat je ze zelf kunt toepassen als je een tekst nakijkt.
Waarom maken we deze fouten, en hoe voorkom je ze?
De meeste taalfouten ontstaan doordat spreken en schrijven niet hetzelfde zijn. Je hoort geen verschil tussen word en wordt als je een zin uitspreekt. Daarom helpt het om bij twijfel even stil te staan en de regel toe te passen. Ook de spreektaal speelt mee: veel mensen zeggen die waar dat hoort.
Een spellingcontrole van een tekstverwerker helpt maar deels. Zowel word als wordt is een bestaand woord, dus de computer ziet het niet altijd als fout. Een proef die je zelf toepast, is dan betrouwbaarder.
Voor de dt-regel vervang je het werkwoord door een ander, zoals lopen. Zeg je hij loopt, dan schrijf je ook hij wordt. Voor hun en zij vervang je het woord door het enkelvoud: hij heeft gelijk wordt dan zij hebben gelijk. Bij dat en die kijk je of het woord ervoor een de-woord of een het-woord is. En bij als en dan let je op wat je vergelijkt: gelijkheid vraagt om als, verschil om dan.
Wees mild voor jezelf en anderen. Een fout maken is menselijk, en lezers begrijpen meestal wat je bedoelt. Toch loont het om de bekendste fouten te kennen. Dan komt je tekst zorgvuldiger over, en dat versterkt de boodschap. Een paar seconden controleren per tekst is meestal genoeg. Lees je tekst bij belangrijke berichten bovendien nog een keer rustig na.
Veelgestelde vragen
Wat is de meest gemaakte taalfout in het Nederlands?
Dat is waarschijnlijk de dt-fout bij werkwoorden, zoals hij word in plaats van hij wordt. De fout ontstaat doordat je het verschil niet hoort. Ook de verwisseling van hun en zij en van dat en die komt veel voor. Met een korte controleproef kun je al deze fouten voorkomen.
Wanneer gebruik ik hun en wanneer zij?
Gebruik zij of ze als onderwerp van de zin, dus als degene die iets doet. Gebruik hun voor bezit, zoals in hun huis. Je gebruikt hun ook als meewerkend voorwerp, zoals in ik geef hun een boek. Vervang het woord door het enkelvoud om te controleren: hij heeft gelijk hoort bij zij hebben gelijk.
Wanneer schrijf ik als en wanneer dan?
Gebruik dan bij een vergelijking van verschil, zoals na groter, beter of meer. Gebruik als bij een vergelijking van gelijkheid, zoals in net zo groot als. Je schrijft dus Hij is groter dan ik, maar Hij is net zo groot als ik. Dit onderscheid is lastig, omdat veel mensen in de spreektaal beide woorden door elkaar gebruiken.