Naar de inhoud

Hoofdletter: wanneer schrijf je hem en wanneer niet

Een hoofdletter lijkt een kleinigheid, maar fouten vallen snel op. Deze pagina legt uit wanneer je een woord met een hoofdletter schrijft. Je leest over het begin van een zin, over eigennamen, talen en bijvoeglijke naamwoorden die van een naam komen, en over de woorden die juist een kleine letter krijgen, zoals dagen en maanden.

Door

Wanneer begin je met een hoofdletter?

Een hoofdletter schrijf je in het Nederlands in een beperkt aantal gevallen. De belangrijkste staan hieronder, met een voorbeeld erbij.

  • Het begin van een zin. Na een punt, een vraagteken of een uitroepteken begint een nieuwe zin met een hoofdletter: De trein vertrekt. Wanneer komt hij aan?
  • Eigennamen. Namen van personen, plaatsen, landen, straten, organisaties en merken krijgen een hoofdletter: Anna, Utrecht, Nederland, Rode Kruis. Bestaat de naam uit meer woorden, dan krijgen de belangrijke woorden vaak een hoofdletter: Verenigde Staten, Tweede Kamer. Ook merknamen en namen van gebouwen horen erbij: Albert Heijn, Rijksmuseum.
  • Talen en inwoners. Nederlands, Frans, Nederlander en Amsterdammer schrijf je met een hoofdletter.
  • Bijvoeglijke naamwoorden van een eigennaam. Een woord dat van een naam is afgeleid, houdt de hoofdletter: de Nederlandse vlag, de Franse keuken.
  • Feestdagen. Kerstmis, Pasen en Sinterklaas zijn namen en krijgen een hoofdletter.
  • Aangehaalde zinnen. Een volledige zin in een aanhaling begint met een hoofdletter: Zij zei: „Ik kom morgen.”

Let bij persoonsnamen op het voorvoegsel. Dat staat midden in de naam met een kleine letter, zoals bij Jan van der Berg. Aan het begin van een zin, of als je alleen de achternaam noemt, schrijf je het met een hoofdletter: Van der Berg heeft gebeld. Bij twijfel kijk je of de naam verwijst naar één bepaalde persoon, plaats of organisatie.

Voorbeelden van hoofdletters

Bij elke zin staat waarom een woord wel of geen hoofdletter krijgt.

  • Het regent. Ik blijf thuis. Elke nieuwe zin begint na de punt met een hoofdletter.
  • Wij gaan naar Spanje. Spanje is een land en dus een eigennaam.
  • Ze spreekt goed Nederlands. Namen van talen schrijf je met een hoofdletter.
  • De Nederlandse trein had vertraging. Nederlandse is afgeleid van Nederland en houdt de hoofdletter.
  • Hij is een echte Rotterdammer. Een inwoner van een plaats krijgt een hoofdletter.
  • Van der Meer belde gisteren. Het voorvoegsel krijgt een hoofdletter omdat het de zin opent.
  • We bezoeken het Rijksmuseum. Het is de naam van een bepaald museum.
  • Met Pasen gaan we naar Zeeland. Pasen is de naam van een feest en Zeeland de naam van een provincie.
  • In juli reizen we naar het noorden van Frankrijk. De maand en de hemelrichting blijven klein, het land krijgt een hoofdletter.
  • Ik heb gisteren meneer Jansen gesproken. Het woord meneer blijft klein en alleen de achternaam krijgt een hoofdletter.
  • Ze vroeg: „Ben je al thuis?” De aangehaalde zin begint met een hoofdletter.

In al deze zinnen gaat het om een begin of om een bepaalde naam. Een gewoon zelfstandig naamwoord, zoals museum, trein of land, krijgt zonder naam geen hoofdletter. Gebruik de voorbeelden hierboven als controle voor je eigen teksten, en kijk vooral naar de woorden midden in een zin.

Wanneer schrijf je geen hoofdletter?

Veel schrijvers zetten te vaak een hoofdletter. Deze woorden krijgen in het Nederlands in principe een kleine letter. Hetzelfde geldt voor het woord dat na een dubbele punt komt: dat begint met een kleine letter, ook als het een gewoon zelfstandig naamwoord is.

  • Dagen en maanden. Je schrijft maandag, zaterdag, januari en december met een kleine letter.
  • Seizoenen. lente, zomer, herfst en winter schrijf je klein.
  • Hemelrichtingen. noord, zuiden en zuidwesten blijven klein, ook in het noorden van het land. Maakt de richting deel uit van een naam, dan krijgt hij wel een hoofdletter: Noord-Holland.
  • Titels en aanspreekvormen. meneer Jansen, mevrouw De Vries en dokter Bos beginnen met een kleine letter. Alleen de eigenlijke naam krijgt een hoofdletter.
  • Functies. de directeur, de burgemeester en de koning zijn gewone zelfstandige naamwoorden.
  • Afleidingen van een feest. kerstboom en paasei beginnen met een kleine letter, ook al horen ze bij Kerstmis en Pasen.

Ook in titels van boeken, films en artikelen gebruik je niet overal hoofdletters. Alleen het eerste woord en eventuele eigennamen krijgen er een, zoals in Reis naar de Alpen. Twijfel je? Vraag je dan af of het woord een naam is voor één bepaalde persoon, plaats of organisatie. Is het antwoord nee, dan schrijf je het met een kleine letter. Zo voorkom je dat je zonder reden hoofdletters gebruikt.

Veelgestelde vragen

Schrijf je dagen en maanden met een hoofdletter?

Nee, dagen en maanden schrijf je met een kleine letter. Je schrijft dus maandag, vrijdag, mei en oktober. Alleen aan het begin van een zin krijgen ze een hoofdletter, zoals bij elk ander woord: Maandag begint de cursus. Dit verschilt van het Engels, waar dagen en maanden wel een hoofdletter hebben. Let hier op als je een Engelse tekst vertaalt.

Schrijf je „Nederlands” en „Nederlandse” met een hoofdletter?

Ja, beide woorden schrijf je met een hoofdletter. Nederlands is de naam van de taal, en Nederlandse is een bijvoeglijk naamwoord dat van de naam Nederland is afgeleid. Je schrijft dus Ze leert Nederlands en de Nederlandse keuken. Hetzelfde geldt voor Frans en Franse, en voor Duits en Duitse. Ook inwoners, zoals een Nederlander of een Fransman, krijgen een hoofdletter.

Welke woorden krijgen een hoofdletter in een titel?

In Nederlandse titels van boeken, films en artikelen krijgt alleen het eerste woord een hoofdletter. Eigennamen binnen de titel krijgen er ook een. Je schrijft dus De donkere kamer van Damokles en niet De Donkere Kamer Van Damokles. Dat is anders dan in het Engels, waar de meeste woorden in een titel een hoofdletter hebben. Heet er iets in de titel zelf een eigennaam, zoals een stad of persoon, dan volgt die naam de gewone regel.