Naar de inhoud

Komma gebruiken: wanneer wel en wanneer niet zetten

De komma is het leesteken dat het vaakst wordt gebruikt en het vaakst verkeerd gaat. Deze pagina legt uit wanneer je een komma zet en wanneer niet. Je leest over opsommingen, bijzinnen die vooraan staan, bijstellingen en aansprekingen, en over de plekken waar een komma de zin juist onduidelijk maakt. Zo schrijf je zinnen die prettig lezen.

Door

Waar zet je een komma?

Een komma geeft een korte pauze aan en maakt een zin makkelijker leesbaar. In het Nederlands zet je hem vooral in de volgende gevallen.

  • Opsommingen. Tussen de onderdelen komt een komma. Voor het laatste onderdeel staat en of of, en daar komt geen komma voor: Ik koop appels, peren en bananen.
  • Gelijkwaardige bijvoeglijke naamwoorden. Kun je er en tussen zetten, dan komt er een komma: een grote, rode bal.
  • Bijzin vooraan. Begint de zin met een bijzin, dan volgt een komma: Als het regent, blijven we thuis.
  • Bijstelling en extra informatie. Een stuk dat alleen iets toevoegt, staat tussen komma’s: Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, trekt veel toeristen. Hetzelfde geldt voor een bijzin die alleen extra informatie geeft: Mijn broer, die in Utrecht woont, komt zaterdag.
  • Aanspreking en tussenwerpsel. Na een aanhef of een uitroep staat een komma: Beste Anna, of Ach, wat jammer.
  • Voor „maar”. Verbindt maar twee hoofdzinnen, dan staat er een komma voor: Ik kom graag, maar ik heb geen tijd.

Bij getallen werkt de komma als decimaalteken: 3,50 euro en 1,5 meter. In dat geval is het geen leesteken, maar onderdeel van het getal. Een komma die op een verkeerde plek staat, kan de betekenis van een zin zelfs veranderen.

Voorbeelden van de komma

Elke zin hieronder laat één regel zien. Bij elk voorbeeld staat waarom de komma er staat.

  • Ik heb brood, kaas, jam en melk nodig. De komma’s scheiden de onderdelen van de opsomming, en voor en staat er geen.
  • Het was een lange, saaie film. Je kunt lange en saaie zeggen, dus de twee bijvoeglijke naamwoorden krijgen een komma.
  • Als je thuis bent, bel ik je even. De bijzin staat vooraan, dus erna komt een komma.
  • Mijn buurman, een vriendelijke man, helpt mij vaak. De bijstelling voegt iets toe en staat daarom tussen komma’s.
  • Jan, kun je de deur dichtdoen? De naam is een aanspreking en wordt van de rest van de zin gescheiden.
  • Nee, dat klopt niet. Na een tussenwerpsel zoals nee of ja zet je een komma.
  • Ze wilde blijven, maar de trein vertrok al. Maar verbindt twee hoofdzinnen, dus er staat een komma voor.
  • De ketting kost 12,95 euro. De komma scheidt hier de euro’s van de centen.

Vergelijk de zinnen en let op wat er voor of na de komma staat. Zo herken je het patroon snel in je eigen teksten. Probeer daarna zelf een zin te maken met een opsomming, een bijzin vooraan en een aanspreking, en controleer of je elke komma kunt verklaren.

Waar zet je geen komma?

Even belangrijk is weten waar een komma niet hoort. Een komma op de verkeerde plek maakt een zin lastiger om te lezen.

Tussen onderwerp en persoonsvorm. Ook bij een lang onderwerp zet je daar geen komma: De buurman van mijn zus werkt bij de gemeente. Een pauze bij het hardop lezen is dus geen reden voor een komma.

Voor „en” en „of” in een opsomming. Je schrijft rood, blauw en groen, zonder komma voor en. Ook tussen twee werkwoordsvormen met hetzelfde onderwerp is een komma niet nodig: Hij pakt zijn jas en loopt naar buiten.

Voor een bijzin die achteraan staat. Hier is een komma meestal niet nodig: We blijven thuis als het regent. Dat geldt ook voor bijzinnen met dat: Ik denk dat het goed komt. Je mag een komma zetten als de zin daardoor duidelijker wordt, maar het is geen verplichting.

Tussen twee woorden die bij elkaar horen. Bij klein maar fijn verbindt maar twee woorden, niet twee zinnen. Dan schrijf je geen komma.

Vraag jezelf bij twijfel af of de komma een duidelijke taak heeft: een rij scheiden, een los stuk afbakenen of een bijzin afsluiten. Heeft hij geen taak, dan laat je hem weg. Controleer ook of je een komma niet uit gewoonte zet voor dat, of of omdat. Meestal heeft de zin hem daar niet nodig.

Veelgestelde vragen

Zet je een komma voor „en”?

In de meeste gevallen niet. In een opsomming staat er geen komma voor en of of, zoals in appels, peren en bananen. Ook voor en tussen twee werkwoorden met hetzelfde onderwerp is een komma niet nodig. Bij twee lange hoofdzinnen met een verschillend onderwerp mag je een komma zetten als de zin daardoor duidelijker wordt. Dat is een keuze en geen regel.

Zet je een komma voor „maar” en „want”?

Voor maar staat meestal een komma als het twee hoofdzinnen verbindt: Ik wil komen, maar ik heb geen tijd. Bij twee losse woorden of woordgroepen, zoals klein maar fijn, schrijf je geen komma. Voor want staat vaak een komma, omdat want twee hoofdzinnen verbindt: Ik blijf thuis, want het regent. Zo zie je goed waar de ene zin eindigt en de andere begint.

Wanneer zet je een komma bij een bijzin?

Staat de bijzin aan het begin van de zin, dan zet je er een komma achter: Als het regent, blijven we thuis. Staat de bijzin achteraan, dan is een komma meestal niet nodig: We blijven thuis als het regent. Een bijzin die midden in de zin extra informatie geeft, zet je tussen komma’s: Mijn broer, die in Utrecht woont, komt zaterdag. Gaat het om informatie die je nodig hebt om te weten wie of wat bedoeld wordt, dan gebruik je geen komma’s. Lees de zin na en kijk of hij zonder het tussengevoegde stuk nog hetzelfde betekent.