Naar de inhoud

Samenstelling aan elkaar schrijven: de regels

In het Nederlands schrijf je samenstellingen aan elkaar, terwijl je in het Engels vaak spaties ziet. Deze pagina legt de hoofdregel uit en laat zien hoe je een samenstelling herkent. Je leest ook wanneer woorden juist los blijven staan, zoals bij een kop koffie, en welke fouten daarbij het vaakst voorkomen.

Door

De hoofdregel: een samenstelling schrijf je aan elkaar

Een samenstelling bestaat uit twee of meer woorden die samen één nieuw woord vormen. De hoofdregel is eenvoudig: je schrijft een samenstelling aan elkaar. Je schrijft dus fietsband en niet fiets band, en tomatensoep en niet tomaten soep. Dat geldt ook voor woorden die je in het Engels wel los schrijft. Voor nieuwe woorden geldt dezelfde regel: je schrijft laptoptas en thuiswerkplek ook aan elkaar. Het maakt niet uit of een woord oud of nieuw is.

Veel combinaties kunnen een samenstelling zijn. Ook drie of meer delen mogen samen één woord vormen, zoals in tandpastatube.

  • een zelfstandig naamwoord en een zelfstandig naamwoord: schoolbus, groenteboer
  • een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord: snelweg, grootvader
  • de stam van een werkwoord en een zelfstandig naamwoord: leesbril, wasmachine
  • twee bijvoeglijke naamwoorden: lichtblauw, donkergroen
  • een voorzetsel of bijwoord en een zelfstandig naamwoord: voordeur, achtertuin

Het laatste deel van de samenstelling bepaalt het lidwoord en de betekenis. Een fietsband is een soort band, en omdat band een de-woord is, zeg je de fietsband. Bij kinderboek hoort het, want boek is een het-woord. In het meervoud verandert alleen het laatste deel: fietsbanden, kinderboeken.

Een tip: bij een samenstelling valt de klemtoon meestal op het eerste deel. Je zegt FIETSband, met de nadruk op fiets. Hoor je dat, dan gaat het vrijwel zeker om één woord.

Voorbeelden van samenstellingen

In al deze woorden vormen de delen samen één begrip. Daarom staat er geen spatie tussen. Lees elk voorbeeld hardop en let op de klemtoon.

  • tomatensoep: een soep van tomaten, en samen vormen ze één soort soep.
  • schoolbus: een bus die kinderen naar school brengt, dus één woord.
  • leesbril: de stam lees plus bril, een bril om mee te lezen.
  • wasmachine: de stam was plus machine, een machine voor het wassen.
  • lichtblauw: twee bijvoeglijke naamwoorden die samen één kleur aanduiden.
  • voordeur: voor is hier een deel van het woord, niet een los voorzetsel.
  • achtertuin: achter en tuin vormen samen de naam voor één plek.
  • groenteboer: groente en boer vormen samen de naam voor iemand die groente verkoopt.
  • snelweg: snel en weg vormen samen één begrip, dus er staat geen spatie tussen.
  • tandpastatube: drie delen, tand, pasta en tube, vormen samen één woord.
  • zonnebloem: een bloem die naar de zon draait, dus één woord.

Merk op dat het laatste deel steeds aangeeft om wat voor soort ding het gaat. Het eerste deel zegt meer over het soort, het doel of de plaats. Probeer zelf een voorbeeld te bedenken en kijk of het laatste woord het soort aangeeft. Dan heb je vrijwel zeker een samenstelling gevonden.

Wanneer schrijf je woorden los?

Niet elke combinatie van woorden is een samenstelling. Als je twee woorden los kunt gebruiken en ze samen geen nieuw woord vormen, blijven ze los.

Een hoeveelheid plus een stof. Je schrijft een kop koffie, een glas water en een stuk taart los. Dat zijn woordgroepen, geen samenstellingen.

Een bijvoeglijk naamwoord met uitgang -e. Bij de mooie dag en de rode jas hoort het bijvoeglijk naamwoord bij het zelfstandig naamwoord, maar het vormt er geen nieuw woord mee. Er zijn uitzonderingen, zoals hogeschool, maar daar gaat het om een vast woord.

Woorden met een voorzetsel. Een combinatie als in de tuin of naar huis is een gewone woordgroep.

Eigennamen van meer woorden. Combineer je een naam van meer woorden met een gewoon woord, dan komt er een koppelteken tussen: Van Gogh-museum. Dat leer je op de pagina over het koppelteken.

Een lange samenstelling mag best aan elkaar, zoals schooldirecteursvergadering. Wordt een woord te lang om te lezen, formuleer het dan anders: vergadering van de schooldirecteuren. Controleer ten slotte of er een tussen-n of een tussen-s nodig is, want dat staat los van de vraag of je een samenstelling aan elkaar schrijft. Hierover leer je meer op de pagina over de tussen-n.

Veelgestelde vragen

Is „fiets band” fout?

Ja, fiets band is fout. In het Nederlands schrijf je een samenstelling aan elkaar, dus de juiste vorm is fietsband. Deze fout heet een spatiefout en komt vaak voor onder invloed van het Engels. Daar staan samengestelde woorden vaak los van elkaar. Schrijf een woord dat één begrip vormt dus nooit met een spatie.

Hoe weet ik of een woordcombinatie een samenstelling is?

Kijk of de delen samen één begrip vormen. Een eerste aanwijzing is de klemtoon: bij fietsband valt die op het eerste deel, bij dikke band niet. Een tweede aanwijzing is dat je er geen woord tussen kunt zetten zonder de betekenis te veranderen. Bij tomatensoep kun je niet tomaten verse soep zeggen. Twijfel je nog, kijk dan in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Mag een samenstelling heel lang zijn?

Ja, daar is geen grens aan. Je ziet in het Nederlands dan ook lange woorden als schooldirecteursvergadering of kerstboomversiering. Toch is het niet altijd handig. Een heel lang woord leest lastig en past soms slecht in een zin. Kun je de zin korter maken met een andere formulering, zoals vergadering van de schooldirecteuren, dan is dat vaak prettiger voor de lezer.