Naar de inhoud

D, t of dt: regels voor werkwoorden en spelling

Aan het eind van een woord hoor je vaak niet of er een d, een t of een dt staat. Deze pagina laat zien hoe je dat toch zeker weet. Je leest hoe je de stam van een werkwoord vindt, hoe ’t kofschip de verleden tijd bepaalt en waarom het voltooid deelwoord dezelfde regel volgt.

Door

De tegenwoordige tijd: stam plus t

Bij de tegenwoordige tijd begin je altijd met de stam. De stam is de ik-vorm van het werkwoord. Bij werken is dat ik werk, bij worden is dat ik word. Haal je de stam niet uit de ik-vorm, dan gaat het snel mis.

Let bij het maken van de stam op de spelling. Je haalt -en weg, maar de klinker kan veranderen: lopen wordt loop, maken wordt maak en bellen blijft bel.

Daarna kijk je naar de persoon. Er gelden vier regels:

  • Bij ik schrijf je de kale stam: ik word, ik vind.
  • Bij jij, u, hij, zij (enkelvoud) en het komt er een t achter de stam: hij wordt, zij vindt.
  • Staat jij direct achter het werkwoord, dan vervalt die t: word jij, vind jij. Bij u blijft de t altijd staan: wordt u.
  • Bij wij, jullie en zij (meervoud) gebruik je de hele infinitief: wij werken.

Eindigt de stam al op een t, dan komt er geen tweede t bij: hij praat, hij zit. Eindigt de stam op een d, dan krijg je door de extra t een dt: hij antwoordt, zij landt. Zo ontstaat dt in de tegenwoordige tijd. Let ook op de vraagvorm: bij wordt hij blijft de t staan, want die hoort bij hij. Alleen bij jij vervalt de t als het werkwoord voorop staat. Zo schrijf je jij wordt maar word jij.

Voorbeelden van d, t en dt

Met deze zinnen zie je hoe de stam en de persoon samen de uitgang bepalen.

  • Ik word moe van deze regen. Bij ik schrijf je alleen de stam, dus zonder t.
  • Hij wordt vandaag tien. De stam word krijgt de t van hij, en dan schrijf je dt.
  • Word jij ook boos? Jij staat achter het werkwoord, dus de t vervalt.
  • Wordt u hier opgehaald? Bij u blijft de t staan, ook als het werkwoord voorop staat.
  • Zij praat de hele dag. De stam praat eindigt al op een t, dus er komt geen tweede t bij.
  • Hij vindt zijn sleutels niet. De stam vind eindigt op een d en krijgt een t, dus dt.
  • Hij loopt naar school. De stam loop krijgt de t van hij, dus je schrijft één t.
  • Jullie wonen dichtbij. Ook bij jullie gebruik je de hele infinitief.
  • Wij werken thuis. Bij wij gebruik je de hele infinitief, met -en aan het eind.
  • Zij antwoordt altijd meteen. Ook hier is de stam antwoord plus de t van zij.

Twijfel je bij een eigen zin? Zoek dan eerst de stam, bepaal daarna de persoon en voeg de t alleen toe als de regel erom vraagt. Lees de zin daarna nog één keer hardop, want vooral bij dt helpt controleren op de persoon.

De verleden tijd en het voltooid deelwoord

In de verleden tijd bepaalt de laatste letter van de stam of je -te(n) of -de(n) schrijft. Gebruik daarvoor ’t kofschip: staat de laatste letter van de stam in t, k, f, s, ch, p, dan krijg je -te(n). Bij elke andere letter krijg je -de(n). De naam zelf bevat alle zes letters: t, k, f, s, ch en p.

  • werken: stam werk, dus ik werkte en wij werkten.
  • bellen: stam bel, dus ik belde en wij belden.
  • wachten: stam wacht, dus ik wachtte.
  • missen: stam mis, en de s zit in ’t kofschip, dus ik miste.
  • antwoorden: stam antwoord, dus ik antwoordde.

Let bij leven, geloven en reizen op de infinitief. Daar staan een v en een z voor de -en, en die zitten niet in ’t kofschip. Daarom schrijf je leefde, geloofde en reisde.

Het voltooid deelwoord volgt dezelfde regel. Je zet ge- voor de stam en eindigt op een t bij -te en op een d bij -de: gewerkt, gebeld, gewacht, geantwoord. Bij werkwoorden met een voorvoegsel als be-, ver- of ont- ontbreekt ge-: beantwoord, verwacht. Sterke werkwoorden hebben een eigen vorm, zoals gevonden. Als bijvoeglijk naamwoord krijgt het deelwoord een e, maar de d of t blijft hetzelfde: de beantwoorde vraag, de verwachte uitkomst.

Veelgestelde vragen

Hoe weet ik of een zelfstandig naamwoord op d of t eindigt?

Verleng het woord en luister naar de klank. Van een zelfstandig naamwoord maak je het meervoud: bij hand hoor je handen, dus schrijf je een d, en bij boot hoor je boten, dus schrijf je een t. Een bijvoeglijk naamwoord verleng je met een e: rond wordt ronde en zacht wordt zachte. Zo hoor je welke letter in het lange woord staat, terwijl het korte woord aan het eind altijd als t klinkt. Dat werkt bij bijna alle woorden die je kunt verlengen.

Waarom schrijf je „ik word” maar „hij wordt”?

De ik-vorm is de stam van het werkwoord, en de stam van worden is word. Bij hij, zij en het komt er een t achter de stam. Omdat de stam al op een d eindigt, ontstaat daardoor dt. Het is dus geen uitzondering, maar dezelfde regel die je ook bij andere werkwoorden gebruikt. Zo hoort bij ik vind de vorm hij vindt.

Hoe schrijf je het voltooid deelwoord van wachten en antwoorden?

Je schrijft gewacht en geantwoord. De stam eindigt al op een t of een d, dus er komt geen extra letter bij. Gebruik ’t kofschip om te bepalen of het een t of een d wordt: ik wachtte heeft -te, dus gewacht, en ik antwoordde heeft -de, dus geantwoord. In de verleden tijd zie je de dubbele letter wel, omdat de uitgang -te of -de achter de stam komt. Bij het voltooid deelwoord schrijf je maar één t of d achter de stam.