Tussen-n in samenstellingen: wanneer schrijf je hem
Schrijf je boekenkast of boekkast? En moet het schoolbus of scholenbus zijn? Het antwoord hangt af van de tussen-n, de n die soms tussen twee delen van een samenstelling staat. Deze pagina legt de regel uit, geeft voorbeelden en laat zien welke woorden afwijken. Zo schrijf je samenstellingen met en zonder tussen-n goed.
Door Maarten Soetens
De regel voor de tussen-n
In veel samenstellingen staat tussen de twee delen een n. Je ziet hem bijvoorbeeld in boekenkast, maar niet in tafelpoot. Die n heet de tussen-n. Hij is een restant van het meervoud van het eerste deel.
De regel is: schrijf een tussen-n als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat in het meervoud op -en eindigt, en als je bij dat deel aan meer dan één denkt. In een boekenkast staan veel boeken, in een kippenhok zitten meerdere kippen en een bomenrij bestaat uit meer dan één boom.
Bij het eerste deel van de samenstelling gebruik je dus deze vragen:
- Is het eerste deel een zelfstandig naamwoord dat in het meervoud op -en eindigt?
- Denk je bij dat woord aan meer dan één ding, persoon of dier?
- Zo ja, dan schrijf je een tussen-n: schoenenwinkel, paardenstal.
- Zo nee, dan schrijf je het eerste deel in de gewone vorm: schoolbus, tafelpoot.
In de uitspraak hoor je de tussen-n meestal niet, dus je moet op de betekenis letten. Zeg het meervoud van het eerste deel hardop, bijvoorbeeld boeken of tafels, en vraag jezelf af of dat past bij wat je bedoelt. Klopt de zin dan nog, dan komt er waarschijnlijk een tussen-n.
Voorbeelden met en zonder tussen-n
Bij elk woord staat waarom er wel of geen tussen-n is. Zeg het meervoud van het eerste deel er steeds bij.
- boekenkast: een kast voor veel boeken, dus het eerste deel is meervoud.
- huizenmarkt: de markt gaat over alle huizen, dus huizen staat in het meervoud.
- scholengemeenschap: een gemeenschap van meerdere scholen, dus er staat een n.
- schoolbus: een bus voor één school, dus het eerste deel is enkelvoud en krijgt geen n.
- huisdeur: de deur van één huis, dus er is geen tussen-n.
- tafelpoot: de poot van één tafel, en het meervoud is tafels, dus geen n.
- bloemenwinkel: een winkel waar je veel bloemen kunt kopen, dus het eerste deel is meervoud.
- kippenhok: een hok waar meer kippen in zitten, dus het eerste deel is meervoud.
- autoband: het meervoud van auto is auto’s, dus er komt geen tussen-n bij.
- studentenhuis: een huis waar meerdere studenten wonen, dus er staat een n.
- kamerplant: een plant voor in een kamer, dus één kamer en geen n.
Let op het verschil tussen huisdeur en huizenmarkt. Het eerste deel krijgt een andere vorm omdat de betekenis verschilt. Vraag jezelf bij elk woord eerst af hoeveel het er zijn. Zo oefen je het patroon met bekende woorden.
Uitzonderingen en lastige gevallen
De regel werkt goed, maar er zijn gevallen waarin je beter even oplet.
Meervoud op -s. Heeft het eerste deel een meervoud op -s, dan komt er geen tussen-n bij. Je schrijft tafelpoot, autoband en kamerplant. Een n zou hier fout zijn.
Meervoud op -eren. Sommige woorden hebben een meervoud op -eren. Je schrijft dan een tussen-er: kinderwagen, eierschaal. Dit zijn vaste woorden.
Vaste woorden. Een aantal woorden is door gewoonte vastgelegd en volgt de regel niet helemaal. Voorbeelden zijn zonnebloem en pannenkoek. Die leer je als vaste woorden.
Meer dan één of niet? Soms hangt het van de bedoeling af. Een schoolbus is voor één school, een scholengemeenschap is een verband van meerdere scholen. Het gaat dus niet om het woord zelf, maar om wat je bedoelt. Zo kan hetzelfde eerste deel in twee woorden een andere vorm hebben, zoals bij huisdeur en huizenmarkt. Is niet duidelijk of je aan één of aan meer denkt, zoek het woord dan op.
Twijfel je? Kijk dan in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie. Daar staat hoe een woord geschreven wordt, ook als de regel geen uitsluitsel geeft. Vind je het woord er niet, pas dan de regel toe en schrijf een tussen-n bij een eerste deel met meervoudsbetekenis.
Veelgestelde vragen
Hoe weet ik of ik een tussen-n moet schrijven?
Kijk naar het eerste deel van de samenstelling. Eindigt het meervoud van dat woord op -en en denk je aan meer dan één, dan schrijf je een tussen-n, zoals bij boekenkast. Denk je aan één ding, dan schrijf je geen n, zoals bij schoolbus. Heeft het meervoud een -s, dan komt er ook geen n. Twijfel je nog, zoek het woord dan op in de Woordenlijst Nederlandse Taal.
Waarom schrijf je „schoolbus” zonder n en „scholengemeenschap” met n?
Het verschil zit in de betekenis van het eerste deel. Bij schoolbus gaat het om een bus voor één school, dus het eerste deel is enkelvoud. Bij scholengemeenschap gaat het om een gemeenschap van meerdere scholen, dus het eerste deel is meervoud. Daarom komt er in dat woord een tussen-n. Denk dus aan het aantal, en niet aan het woord zelf.
Hoor je de tussen-n in de uitspraak?
Meestal niet. Je zegt boekenkast vaak als boekekast, en dan hoor je de n niet. Daarom kun je niet op je gehoor afgaan. Gebruik de betekenis van het eerste deel om te bepalen of er een n nodig is. Heb je dat gedaan en twijfel je toch, controleer het woord dan in de Woordenlijst Nederlandse Taal.