Naar de inhoud

Aanhalingstekens: regels voor citaten en titels

Aanhalingstekens laten zien dat woorden van iemand anders komen of een bijzondere betekenis hebben. Deze pagina legt uit wanneer je ze gebruikt. Je leest over directe rede en citaten, over titels en woorden die je als woord noemt, en over de plaats van de leestekens bij de aanhaling, zodat je tekst er verzorgd uitziet.

Door

Aanhalingstekens bij directe rede en citaten

Aanhalingstekens zet je om woorden die iemand letterlijk zegt of schrijft. In het Nederlands zijn zowel enkele (‘…’) als dubbele („…”) aanhalingstekens goed. Kies één soort en gebruik die in de hele tekst. Gebruik waar mogelijk de gekrulde tekens, omdat die er verzorgder uitzien dan de rechte tekens op je toetsenbord.

  • Directe rede. Wat iemand zegt, zet je tussen aanhalingstekens: Zij zei: ‘Ik kom morgen.’
  • Hoofdletter. Een volledige aangehaalde zin begint met een hoofdletter, ook midden in een zin: Hij vroeg: ‘Kom je morgen?’
  • Citaat. Een letterlijk overgenomen stuk uit een tekst zet je ook tussen aanhalingstekens: In het rapport staat: ‘De resultaten zijn positief.’
  • Leestekens. Een vraagteken of uitroepteken dat bij de aangehaalde zin hoort, staat binnen de aanhalingstekens. Komt er een zinsdeel als zei ze achter, dan staat de komma buiten de aanhaling en valt de punt van de aangehaalde zin weg: ‘Ik kom morgen’, zei ze. Bij een vraag valt de komma weg: ‘Kom je morgen?’ vroeg ze.

Is de aanhaling een volledige zin aan het einde van de zin, dan staat de punt binnen de aanhalingstekens. Hoort het leesteken bij de hele zin en niet bij de aanhaling, dan zet je het erbuiten. Geef je niet letterlijk weer wat iemand zei, maar vertel je het in je eigen woorden, dan heb je geen aanhalingstekens nodig: Zij zei dat ze morgen komt.

Voorbeelden van aanhalingstekens

Bij elke zin staat waarom de aanhalingstekens zo gebruikt worden.

  • Hij riep: ‘Pas op!’ De uitroep is wat hij zegt, dus het uitroepteken staat binnen de aanhalingstekens.
  • ‘Wacht even!’ riep de buurman. Het uitroepteken blijft binnen de tekens en er komt geen komma achter.
  • ‘Ik ben moe’, zei ze. De aanhaling gaat vooraf, dus de komma staat achter het slotteken.
  • ‘Heb je het gelezen?’ vroeg hij. Bij een vraag komt het vraagteken binnen de aanhaling en valt de komma weg.
  • De minister zei: ‘We gaan door.’ De aangehaalde zin begint met een hoofdletter en eindigt met de punt binnen de tekens.
  • Gisteren zag ik de film ‘Turks Fruit’ opnieuw. Een titel kan tussen aanhalingstekens staan, maar cursief mag ook.
  • Het woord ‘spelling’ heeft acht letters. Je noemt het woord zelf, en niet wat het betekent.
  • Zijn ‘eerlijke’ antwoord overtuigde niemand. De tekens laten zien dat de schrijver het woord eerlijk niet serieus neemt.
  • Zij schreef: ‘Het is mooi weer, dus we gaan fietsen.’ Het aangehaalde stuk is een volledige zin met zijn eigen komma.

Kijk in je eigen tekst eerst wat letterlijk is overgenomen en wat je zelf hebt geschreven. Alleen het eerste staat tussen aanhalingstekens. Gaat het om je eigen woorden, dan heb je ze niet nodig. Controleer daarna of de leestekens op de juiste plek staan.

Titels, woorden en een aanhaling in een aanhaling

Aanhalingstekens gebruik je niet alleen voor wat iemand zegt. Je ziet ze ook in een paar andere gevallen.

Titels. De titel van een boek, film, lied of artikel zet je tussen aanhalingstekens of in cursief: Ik las ‘De avonden’. Kies ook hier één manier en houd die vol.

Een woord als woord. Wil je het woord zelf bespreken, dan zet je het tussen aanhalingstekens: Het woord ‘maar’ is een voegwoord. Zonder die tekens lijkt het of je het woord gewoon gebruikt. Hetzelfde doe je met een uitdrukking: De uitdrukking ‘in een handomdraai’ betekent heel snel.

Ironie of afstand. Zet je een woord tussen aanhalingstekens om aan te geven dat het niet letterlijk bedoeld is, dan doe je dat spaarzaam, bijvoorbeeld in Zijn ‘vakantie’ bestond uit werken. Te veel aanhalingstekens maken een tekst onrustig en wekken twijfel.

Een aanhaling in een aanhaling. Gebruik binnen de aanhaling de andere soort tekens. Gebruik je buiten enkele tekens, dan staan er binnen dubbele, en andersom: „Hij zei: ‘Ik kom morgen’ en ging weg.”

Gebruik aanhalingstekens niet voor nadruk. Wil je een woord benadrukken, kies dan cursief of herschrijf de zin, zodat de nadruk vanzelf op het goede woord valt. Lees je tekst na en vraag je bij elk paar aanhalingstekens af wat ze aangeven: een spreker, een bron of een bijzondere betekenis.

Veelgestelde vragen

Gebruik je dubbele of enkele aanhalingstekens?

Beide zijn goed in het Nederlands. Je ziet enkele tekens (‘…’) en dubbele tekens („…”) in boeken en kranten. Belangrijk is dat je binnen één tekst voor één soort kiest en die consequent gebruikt. Alleen bij een aanhaling in een aanhaling gebruik je beide soorten, de ene buiten en de andere binnen. Let ook op de vorm van de tekens: de gekrulde tekens zien er verzorgder uit dan de rechte op je toetsenbord.

Staat de punt binnen of buiten de aanhalingstekens?

Dat hangt af van wat je aanhaalt. Is de aangehaalde zin een volledige zin die de hele zin afsluit, dan staat de punt binnen de tekens: Zij zei: ‘Ik kom morgen.’ Staat de aanhaling voorop en volgt er een zinsdeel als zei ze, dan valt de punt weg en komt de komma erachter: ‘Ik kom morgen’, zei ze. Een vraagteken of uitroepteken dat bij de aanhaling hoort, staat altijd binnen de tekens. Hoort het leesteken bij de hele zin, dan zet je het erbuiten.

Wat doe je met een aanhaling binnen een aanhaling?

Je gebruikt voor de binnenste aanhaling een andere soort aanhalingstekens dan voor de buitenste. Zet je de buitenste aanhaling tussen dubbele tekens, dan staat de binnenste tussen enkele tekens. Een voorbeeld is „Hij zei: ‘Ik kom morgen’ en ging weg.” Zo blijft duidelijk waar welke aanhaling begint en eindigt. Gebruik dit alleen als het echt nodig is, want veel lagen maken de zin zwaar om te lezen.