zout
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /zɑu̯t/Betekenis
- alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride)
- een verbinding die bestaat uit een metaal en een zuurrest
- één van de vijf smaak|smaken
- zout bevattend of zout smakend
- uitdoen, uittrekken (van schoeisel)
Hoe spreek je zout uit?
/zɑut/
Zout bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑu | koud |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een van de vijf smaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zouten | meervoud |
| zoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoutjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van zouten
- gebiedende wijs van zouten
Vervoeging van zout
zouthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘keukenzout, natriumchloride’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1001
Woordfamilie van zout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoutere | woordvorm | zout |
| zouts | woordvorm | zout |
| zoutst | woordvorm | zout |
| zoutste | woordvorm | zout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zout zijn vastgelegd.