oud
bijvoeglijk naamwoord ɑutBetekenis
- (van levende wezens) van hoge leeftijd
- (van voorwerpen) al lange tijd bestaand, uit een vroeger tijd afkomstig, versleten
- vorig, eerder, voormalig
Hoe spreek je oud uit?
/ɑut/
Oud bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑu | koud |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als out.
bijvoeglijk naamwoord
- van hoge leeftijd
- al lange tijd bestaand, uit een vroeger tijd afkomstig, versleten
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Herkomst
In de betekenis van ‘reeds lang bestaand, lang geleefd hebbend’ voor het eerst aangetroffen in 893
Woordfamilie van oud
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ouds | partitive, positive | oud |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oud zijn vastgelegd.