fout
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord /fɑut/Betekenis
- onjuist, incorrect, niet goed, foutief, verkeerd
- niet volgens de in een groep of land geldende normen of moraal;
- aan de kant van de as-mogendheden in de Tweede Wereldoorlog
- onjuist, verkeerd
- vergissing, onjuistheid
Hoe spreek je fout uit?
/fɑut/
Fout bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑu | koud |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- foutief, incorrect bn, niet goed, onjuist, verkeerd bn
- niet volgens de in een groep of land algemeen aanvaarde normen of moraal
- aan de kant van de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| foute | verbogen, stellende trap |
| fouter | onverbogen, vergrotende trap |
| foutere | verbogen, vergrotende trap |
| fouters | partitief, vergrotende trap |
| fouts | partitief, stellende trap |
| foutst | onverbogen, overtreffende trap |
| foutste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Van Oudfrans faute (oorspronkelijke bet. "overspel/religieuze zonde"). Verder te herleiden tot Latijn fallita (< fallere). Verwant met Duits fehlen/Fehler, Engels fault. Ook een doublet van falen ww .
Woordfamilie van fout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| foute | verbogen vorm | fout |
| fouten | meervoud | fout |
| fouter | vergrotende trap | fout |
| foutere | verbogen vergrotende trap | fout |
| fouters | partitieve vergrotende trap | fout |
| foutje | woordvorm | fout |
| foutjes | meervoud | fout |
| fouts | partitive, positive | fout |
| foutst | uninflected, superlative | fout |
| foutste | inflected, superlative | fout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fout zijn vastgelegd.