zoutpilaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een zuil gemaakt van zout
- iemand die verstijfd stilstaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoutpilaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoutpilaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| zoutpilaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zout zn en pilaar zn
Woordfamilie van zoutpilaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoutpilaartje | verkleinwoord | zoutpilaar |
| zoutpilaartjes | verkleinwoord meervoud | zoutpilaar |
| zoutpilaren | meervoud | zoutpilaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoutpilaar zijn vastgelegd.