zouter
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- iemand die in zout inlegt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zouters | meervoud |
| zoutertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoutertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van zout
Herkomst
Naamwoord van handeling van zouten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van zouter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoutertje | verkleinwoord | zouter |
| zoutertjes | verkleinwoord meervoud | zouter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zouter zijn vastgelegd.