schapenbout
zelfstandig naamwoord ˈsxapə(n)ˌbɑutBetekenis
- met het vlees dat daaraan vastzit
Hoe spreek je schapenbout uit?
/ˈsxapənˌbɑut/
Schapenbout bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bovenste deel van voor- of achterpoot van een schaap (Ovis aries) met het vlees dat daaraan vastzit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schapenbouten | meervoud |
| schapenboutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schapenboutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van schaap zn en bout zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van schapenbout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schapenbouten | meervoud | schapenbout |
| schapenboutje | verkleinwoord | schapenbout |
| schapenboutjes | verkleinwoord meervoud | schapenbout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schapenbout zijn vastgelegd.