enkelvoud
zelfstandig naamwoord ˈɛnkəlˌvɑutBetekenis
- een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
Hoe spreek je enkelvoud uit?
/ˈɛnkəlˌvɑut/
Enkelvoud bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| n | nek |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| v | vis |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| enkelvouden | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vorm van woord die aangeeft dat er slechts van één exemplaar sprake is’ voor het eerst aangetroffen in 1805
Woordfamilie van enkelvoud
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| enkelvouden | meervoud | enkelvoud |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van enkelvoud zijn vastgelegd.