bout
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɑutBetekenis
- verbindingsmiddel, meest uit metaal vervaardigde ronde staaf met kop, oog of haak. Een schroefbout is voorzien van een schroefdraad, een bout zonder draad noemt men een 'steekbout'.
- een stuk vlees met een bot erin, meestal een poot
- een projectiel dat door een kruisboog wordt afgeschoten
- ontlasting, uitwerpselen, drol (zie bouten)
- een soldeerijzer
- een strijkijzer
Hoe spreek je bout uit?
/bɑut/
Bout bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als baud.
zelfstandig naamwoord — masculine
- verbindingsmiddel, meest uit metaal vervaardigde ronde staaf met kop, oog of haak
- een stuk voor consumptie bedoeld vlees met een bot erin, meestal een poot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouten | meervoud |
| boutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boutjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van bouten
- gebiedende wijs van bouten
Vervoeging van bout
bouthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘poot van een geslacht dier’ voor het eerst aangetroffen in 1101
Woordfamilie van bout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boutje | verkleinwoord | bout |
| boutjes | verkleinwoord meervoud | bout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bout zijn vastgelegd.