zouten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɑutə(n)Betekenis
- met zout conserveren
Hoe spreek je zouten uit?
/ˈzɑutən/
Zouten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zouten
zoutenhele werkwoord — zoutteverleden tijd enkelvoud — zouttenverleden tijd meervoud — gezoutenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zout | zoutte |
| jij | zout | zoutte |
| hij, zij, het | zout | zoutte |
| wij | zouten | zoutten |
| jullie | zouten | zoutten |
| zij | zouten | zoutten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezouten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezouten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezouten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezouten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezouten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezouten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezouten | verleden tijd, deelwoord |
| gezouten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezouten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezouten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezouten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezouten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezouten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezouten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezouten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezouten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezouten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zouten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zouten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zout | gebiedende wijs |
| zoute | aanvoegende wijs |
| zoutend | onvoltooid, deelwoord |
| zoutte | verleden tijd |
| zullen gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zouten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezouten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezouten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zout
Herkomst
ww: afgeleid van zout zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zouten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezouten | voltooid deelwoord | zouten |
| zoutend | onvoltooid deelwoord | zouten |
| zoutende | woordvorm | zouten |
| zoutte | verleden tijd | zouten |
| zoutten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zouten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zouten zijn vastgelegd.