zomer
zelfstandig naamwoord ˈzomərBetekenis
- jaargetijde tussen lente en herfst
Hoe spreek je zomer uit?
/ˈzomər/
Zomer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zomers | meervoud |
| zomertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zomertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van zomer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zomertje | verkleinwoord | zomer |
| zomertjes | verkleinwoord meervoud | zomer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zomer zijn vastgelegd.