zool
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- onderkant van de voet
- onderkant van schoeisel of kous
- de vlakke onderzijde van een schaaf, strijkijzer etc.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- de onderkant van een dijk, terp of kade
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zolen | meervoud |
| zooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zooltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolen
- gebiedende wijs van zolen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolen
Vervoeging van zool
zoolhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderste deel van voet of schoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zooltje | verkleinwoord | zool |
| zooltjes | verkleinwoord meervoud | zool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zool zijn vastgelegd.