zoomen
werkwoord /ˈzumə(n)/Betekenis
- de mate van vergroting van een beeld veranderen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je zoomen uit?
/ˈzumən/
Zoomen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| u | boek |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zoomen
zoomenhele werkwoord — zoomdeverleden tijd enkelvoud — zoomdenverleden tijd meervoud — gezoomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zoom | zoomde |
| jij | zoomt | zoomde |
| hij, zij, het | zoomt | zoomde |
| wij | zoomen | zoomden |
| jullie | zoomen | zoomden |
| zij | zoomen | zoomden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gezoomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezoomd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezoomd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezoomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezoomd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezoomd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezoomd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezoomd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezoomd | verleden tijd, deelwoord |
| gezoomd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoomd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoomd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoomd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoomd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoomd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoomd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoomd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezoomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gezoomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gezoomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezoomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezoomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezoomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zoom | gebiedende wijs |
| zoomde | verleden tijd |
| zoome | aanvoegende wijs |
| zoomend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezoomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezoomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zoomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels: zoom.
Woordfamilie van zoomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoome | aanvoegende wijs | zoomen |
| zoomend | onvoltooid deelwoord | zoomen |
| zoomende | woordvorm | zoomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoomen zijn vastgelegd.