vlaggen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvlɑɣə(n)Betekenis
- de vlag uithangen
Hoe spreek je vlaggen uit?
/ˈvlɑxən/
Vlaggen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vlaggen
vlaggenhele werkwoord — vlagdeverleden tijd enkelvoud — vlagdenverleden tijd meervoud — gevlagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlag | vlagde |
| jij | vlagt | vlagde |
| hij, zij, het | vlagt | vlagde |
| wij | vlaggen | vlagden |
| jullie | vlaggen | vlagden |
| zij | vlaggen | vlagden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevlagd | verleden tijd, deelwoord |
| gevlagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevlagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevlagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevlagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevlagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevlagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevlagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevlagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevlagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vlaggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vlaggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlag | gebiedende wijs |
| vlagde | verleden tijd |
| vlagge | aanvoegende wijs |
| vlaggend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevlagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vlaggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevlagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vlaggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vlag
Herkomst
Denominaal afgeleid van vlag.
Woordfamilie van vlaggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevlagd | voltooid deelwoord | vlaggen |
| vlagde | verleden tijd | vlaggen |
| vlagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vlaggen |
| vlagge | aanvoegende wijs | vlaggen |
| vlaggend | onvoltooid deelwoord | vlaggen |
| vlaggende | woordvorm | vlaggen |
| vlagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vlaggen |
| gevlagde | woordvorm | gevlagd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlaggen zijn vastgelegd.