vest
zelfstandig naamwoord, werkwoord vɛstBetekenis
- een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
- kort (gebreid) jasje met mouwen
- stadsgracht
- vestingmuur, stadswal
- westelijk
- vest
- westen
- het westelijk halfrond (West-Europa en VS)
- de positie van een speler bij bridge
Hoe spreek je vest uit?
/vɛst/
Vest bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vesten | meervoud |
| vestje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vestjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van vesten
- gebiedende wijs van vesten
Vervoeging van vest
vesthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1685
Woordfamilie van vest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vestje | verkleinwoord | vest |
| vestjes | verkleinwoord meervoud | vest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vest zijn vastgelegd.