vesten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bevestigen, vastmaken
Vervoeging van vesten
vestenhele werkwoord — vestteverleden tijd enkelvoud — vesttenverleden tijd meervoud — gevestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vest | vestte |
| jij | vest | vestte |
| hij, zij, het | vest | vestte |
| wij | vesten | vestten |
| jullie | vesten | vestten |
| zij | vesten | vestten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevest | verleden tijd, deelwoord |
| gevest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vest | gebiedende wijs |
| veste | aanvoegende wijs |
| vestend | onvoltooid, deelwoord |
| vestte | verleden tijd |
| zal gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vest
- meervoud van het zelfstandig naamwoord veste
Herkomst
afgeleid van vest met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vestend | onvoltooid deelwoord | vesten |
| vestende | woordvorm | vesten |
| vestte | verleden tijd | vesten |
| vestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vesten zijn vastgelegd.