trui
zelfstandig naamwoord trœyBetekenis
- kledingstuk voor het bovenlichaam met mouwen, gemaakt van rekbaar weefsel zodat het over het hoofd kan worden aangetrokken
- van wol of vergelijkbare vezels
- (wielrennen) nauwsluitend sporthemd met korte mouwen en rits, gemaakt van kunstvezels; soms in bepaalde kleuren en motieven om de plaats in een rangschikking aan te geven
- broek
- alleen : vrouw, meisje of vrouwelijk dier
trui in een zin
- Trek een warme trui aan voor buiten.
- De renner reed in een nauwsluitende trui.
- In de kast lagen drie gebreide truien.
Hoe spreek je trui uit?
/trœy/
Trui bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| œy | huis |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| truien | meervoud |
| truitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| truitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘kledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van trui
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| truien | meervoud | trui |
| truitje | verkleinwoord | trui |
| truitjes | verkleinwoord meervoud | trui |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trui zijn vastgelegd.