jumper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- trui voor dames en kinderen
- verbindingsbrug tussen twee contacten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jumpers | meervoud |
| jumpertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jumpertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘damestrui’ voor het eerst aangetroffen in 1937
Woordfamilie van jumper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jumpers | meervoud | jumper |
| jumpertje | verkleinwoord | jumper |
| jumpertjes | verkleinwoord meervoud | jumper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jumper zijn vastgelegd.