vertreden
werkwoordBetekenis
- een stukje lopen, een klein wandelingetje maken
werkwoord
- zich ~: een stukje lopen, een klein wandelingetje maken formal, reflexive
Vervoeging van vertreden
vertredenhele werkwoord — vertredenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vertrad | verleden tijd |
| vertrad je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertrad u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertrad zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertrad zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertrede zich | aanvoegende wijs |
| vertreden | verleden tijd, deelwoord |
| vertreden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreed me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreed u/je , vertreedt je | gebiedende wijs |
| vertreedt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreedt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertreedt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreedt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreedt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertreedt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me vertreden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich vertreden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vertreden hebben | verleden tijd |
| zich vertredend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vertreden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich vertreden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vertreden | tweede persoon |
| zult u vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u vertreden | tweede persoon |
| zult zich/u vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van vertreden
Vervoeging van vertreden
vertredenhele werkwoord — vertredenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vertrad | verleden tijd |
| vertrad je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertrad u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertrad zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertrad zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertrad zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertraden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertrede zich | aanvoegende wijs |
| vertreden | verleden tijd, deelwoord |
| vertreden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreed me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreed u/je , vertreedt je | gebiedende wijs |
| vertreedt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreedt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertreedt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertreedt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertreedt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertreedt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me vertreden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich vertreden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vertreden hebben | verleden tijd |
| zich vertredend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vertreden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich vertreden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vertreden | tweede persoon |
| zult u vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u vertreden | tweede persoon |
| zult zich/u vertreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van treden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vertreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertrad | verleden tijd | vertreden |
| vertraden | woordvorm | vertreden |
| vertrede | woordvorm | vertreden |
| vertredend | woordvorm | vertreden |
| vertredende | woordvorm | vertreden |
| vertreed | woordvorm | vertreden |
| vertreedt | woordvorm | vertreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertreden zijn vastgelegd.