tegen
voorzetsel, bijwoord, zelfstandig naamwoord ˈteɣə(n)Betekenis
- zijdelings aanleunend
- oneens met, ter bestrijding van
- voor of omstreeks een bepaalde tijd
- de ontvangende persoon van een boodschap: aan
- voor de prijs van
- () oneens, negatief
- tegenspreken: Hij sprak deze bewering tegen.
- daartegen:Daar is een goed middel tegen.
Hoe spreek je tegen uit?
/ˈtexən/
Tegen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijwoord
- oneens, negatief
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
zelfstandig naamwoord — neuter
- negatief argument of negatieve kant
Herkomst
In de betekenis van ‘in de andere richting, ten aanzien van’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284.
Woordfamilie van tegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tegens | meervoud | tegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegen zijn vastgelegd.