bewegen
werkwoord bəˈweɣə(n)Betekenis
- van plaats veranderen, niet stilstaan
- in beweging brengen
- zich ~ actie ondernemen om een beweging te maken
- zich ~ omgaan met mensen waarbij men is
- bewegen tot: iemand ergens toe aanzetten
Hoe spreek je bewegen uit?
/bəˈwexən/
Bewegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| w | quiz |
| e | veel |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bewegen
bewegenhele werkwoord — bewoogverleden tijd enkelvoud — bewogenverleden tijd meervoud — bewogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beweeg | bewoog |
| jij | beweegt | bewoog |
| hij, zij, het | beweegt | bewoog |
| wij | bewegen | bewogen |
| jullie | bewegen | bewogen |
| zij | bewegen | bewogen |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beweeg | gebiedende wijs |
| beweeg me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beweeg u/je , beweegt je | gebiedende wijs |
| beweegt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beweegt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beweegt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beweegt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beweegt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beweegt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bewege | aanvoegende wijs |
| bewege zich | aanvoegende wijs |
| bewegen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bewegen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bewegen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bewegend | onvoltooid, deelwoord |
| bewogen | verleden tijd, deelwoord |
| bewogen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bewogen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bewogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bewogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bewogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bewogen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bewogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bewogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewoog | verleden tijd |
| bewoog je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bewoog me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bewoog u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bewoog u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bewoog zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bewoog zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bewoog zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| er is bewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bewogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bewogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bewogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bewogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bewogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bewogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bewegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bewegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me bewegen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bewegen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bewegen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bewegend | onvoltooid, deelwoord |
| zich bewogen hebben | verleden tijd |
| zijn bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bewegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bewegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
van Middelnederlands bewegen / beweghen, in de betekenis van ‘in beweging brengen of zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1301, op te vatten als oude afleiding van wegen ww met het voorvoegsel be-; verwant met Fries bewege, Duits bewegen, Middelnederduits bewegen en Oudhoogduits biwegan
Woordfamilie van bewegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beweeg | gebiedende wijs | bewegen |
| beweegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bewegen |
| bewege | aanvoegende wijs | bewegen |
| bewoog | verleden tijd | bewegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bewegen zijn vastgelegd.