verplegen
werkwoord vərˈpleɣə(n)Betekenis
- een zieke verzorgen
Hoe spreek je verplegen uit?
/vərˈplexən/
Verplegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| p | pak |
| l | land |
| e | veel |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verplegen
verplegenhele werkwoord — verpleegdeverleden tijd enkelvoud — verpleegdenverleden tijd meervoud — verpleegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verpleeg | verpleegde |
| jij | verpleegt | verpleegde |
| hij, zij, het | verpleegt | verpleegde |
| wij | verplegen | verpleegden |
| jullie | verplegen | verpleegden |
| zij | verplegen | verpleegden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verpleegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verpleegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verpleegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verpleegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verpleegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verpleegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verpleegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verpleegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verpleegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verpleegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verpleegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verpleegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpleegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verpleegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verplegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verplegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpleeg | gebiedende wijs |
| verpleegd | verleden tijd, deelwoord |
| verpleegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpleegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpleegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpleegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpleegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpleegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpleegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpleegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpleegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpleegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpleegde | verleden tijd |
| verplege | aanvoegende wijs |
| verplegend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verpleegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verpleegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verpleegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verpleegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verpleegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verpleegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verpleegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verpleegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verpleegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verplegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verpleegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verpleegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verpleegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verplegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van plegen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verplegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verpleeg | gebiedende wijs | verplegen |
| verpleegd | voltooid deelwoord | verplegen |
| verpleegde | verleden tijd | verplegen |
| verpleegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verplegen |
| verpleegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verplegen |
| verplege | aanvoegende wijs | verplegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verplegen zijn vastgelegd.