zegen
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzeɣə(n)Betekenis
- verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
- afroeping van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand over iemand, met name door een lid van de geestelijkheid
- voordeel of gelukkige omstandigheid die als goddelijke of bovennatuurlijke bijstand wordt opgevat
- instemming van een persoon of instantie wiens daadwerkelijke of morele steun belangrijk is
- breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet. Vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet langer dan de lengte van de bovenpees.
Hoe spreek je zegen uit?
/ˈzexən/
Zegen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] zegen | canonical |
| zegens | enkelvoud |
| zegentje | verkleinwoord |
| zegentjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet Vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet langer dan de lengte van de bovenpees.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| zegens | enkelvoud |
| zegentje | verkleinwoord |
| zegentjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van zijgen
Vervoeging van zegen
zegenhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
- gebiedende wijs van zegenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
Vervoeging van zegen
zegenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zeeg
Woordfamilie van zegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegens | enkelvoud | zegen |
| zegentje | verkleinwoord | zegen |
| zegentjes | verkleinwoord | zegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zegen zijn vastgelegd.