tegel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈteɣəɫ/Betekenis
- een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
Hoe spreek je tegel uit?
/ˈtexəl/
Tegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tegels | meervoud |
| tegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegelen
- gebiedende wijs van tegelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegelen
Vervoeging van tegel
tegelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vloersteen’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van tegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tegels | meervoud | tegel |
| tegeltje | verkleinwoord | tegel |
| tegeltjes | verkleinwoord meervoud | tegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegel zijn vastgelegd.