vlegel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈvleɣəlBetekenis
- dorswerktuig
- lompe vent
Hoe spreek je vlegel uit?
/ˈvlexəl/
Vlegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- ondeugende jongen of lompe man pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlegels | meervoud |
| vlegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vlegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlegelen
- gebiedende wijs van vlegelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlegelen
Vervoeging van vlegel
vlegelhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands vleghel van laat Latijn flagellum, in de betekenis van ‘lange stok, dorsvlegel’ aangetroffen vanaf 1351
Woordfamilie van vlegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlegels | meervoud | vlegel |
| vlegeltje | verkleinwoord | vlegel |
| vlegeltjes | verkleinwoord meervoud | vlegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlegel zijn vastgelegd.