kegel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈke.xəl/Betekenis
- een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
- de flesvormige houten stukken van het kegelspel
- elk van de kleurgevoelige zintuigcellen in het netvlies van het oog
- naar alcohol stinkende adem
Hoe spreek je kegel uit?
/ˈkexəl/
Kegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kegels | meervoud |
| kegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kegelen
- gebiedende wijs van kegelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kegelen
Vervoeging van kegel
kegelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘conus’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276
Woordfamilie van kegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kegels | meervoud | kegel |
| kegeltje | verkleinwoord | kegel |
| kegeltjes | verkleinwoord meervoud | kegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kegel zijn vastgelegd.